Home Publicaties

ja_mageia

Reinigen en desinfecteren

Reinigen en desinfecteren; we hebben er dagelijks mee te maken in onze praktijken.

Enige jaren geleden was er al een fabrikant van een schoonmaakmiddel die beweerde dat door het gebruik met zijn product 99% van de huishoudbacteriën gedood zou worden. Nu hebben reclame uitingen nogal eens de neiging om met de waarheid op de loop te gaan maar in dit geval had de producent gelijk. Het is namelijk wetenschappelijk vastgesteld dat door een goede en correct uitgevoerde reiniging het aantal micro-organismen per vierkante centimeter oppervlak zal dalen van enkele miljarden naar enkele miljoenen kiemen. In procenten omgerekend betekent dit een reductie van het aanvang besmettingsniveau van meer dan 99%. Desinfectie vervolgens zal er voor moeten zorgen dat het niveau zal dalen tot enkele duizenden micro-organismen per vierkante centimeter vloeroppervlak.

Uit dit gegeven kan dan ook de conclusie getrokken worden dat een goede reiniging van zeer groot belang is Tevens zal de conclusie moeten zijn dat door een reiniging en desinfectie nooit alle micro-organismen onschadelijk gemaakt zullen worden. Er blijft dus altijd een potentiële kans op besmetting bestaan. De kans wordt echter door reiniging en desinfectie wel zo klein mogelijk gemaakt.

Reinigen is dus de eerste en misschien wel belangrijkste stap op weg naar een optimale hygiëne. In normale omstandigheden wordt door goed schoonmaken het merendeel van de aanwezige micro-organismen verwijderd en tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht.
Het doel van desinfectie is een verdergaande reductie van het aantal micro-organismen. Er dient te worden gestreefd naar een zo laag mogelijk kiemgetal om het risico van besmetting van patiënten of medewerkers zo laag mogelijk te houden. De beslissing om al dan niet te desinfecteren wordt bepaald door:
• De kans op overdracht van besmetting van patiënt of personeel. In kantoor of koffieruimte is de kans op besmetting aanzienlijk kleiner dan in de opname.
• De aard van het aantal van de betreffende micro-organismen. Een patiënt met een virale of bacteriële infectie draagt aanzienlijk meer micro-organismen met zich mee dan een 'gezonde' patiënt.
• De gevoeligheid van een patiënt voor infecties. Een operatiepatiënt is gevoeliger dan een observatiepatiënt.

Om tot een optimaal professioneel hygiënisch beleid te komen moet ook rekening met onderstaande gehouden worden:
1. Geen desinfectie waar sterilisatie noodzakelijk is.
2. Geen desinfectie waar reiniging voldoende is.
3. Geen desinfectie waar steriele disposables economisch verantwoord kunnen worden toegepast
4. Geen chemische desinfectie waar thermische desinfectie mogelijk is.
5. Beperkt gebruik desinfectantia in soort en aantal.
6. Desinfectie volgens vast protocol.

Samengevat dient dan ook het uitgangspunt te zijn: Niet desinfecteren, tenzij…

Wanneer het tenzij… binnen uw praktijk van kracht wordt, komt de vraag naar voren welk desinfectiemiddel gebruikt moet worden en welk het 'beste' is. De website van het college voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (www.ctb-agro.nl) geeft alle informatie over de in Nederland toegelaten desinfectie middelen. Deze herkent u aan het toelatingsnummer N- en de R– en S-zinnen op de verpakking.

De verschillende desinfectiemiddelen kunnen verdeeld worden in vier groepen:

1. Chloorhoudende middelen

2. Quaternaire ammoniumverbindingen (Quats)

3. Aldoquats (combinatie van quats en aldehyden)

4. Combinatie perazijnzuur en waterstofperoxide.

Behalve dat de bovengenoemde middelen alle hun werkzame bestanddelen en eigenschappen kennen, hebben ze allemaal gemeen dat ze door het CTB biociden genoemd worden en toegelaten zijn voor gebruik in dierverblijven. Ze staan omschreven onder één van de volgende codes:

PT02: desinfecterende middelen voor privégebruik en voor de openbare gezondheidszorg, alsmede andere desinfectantia.

PT03: biociden voor veterinaire hygiënedoeleinden.

PT04: ontsmettingsmiddelen voor gebruik in de sector voeding en diervoeders.